De losse eindjes van de meerwaardebelasting
1. Korte inhoud
In het kader van de meerwaardebelasting krijgen gewone beleggers een belasting van 10% opgelegd op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa. Daarbij geldt een jaarlijkse, geïndexeerde vrijstelling van 10.000 euro, waarvan 1.000 euro per jaar overdraagbaar is tot een maximum van 15.000 euro. Wie een gezamenlijke belastingaangifte met een partner indient, geniet dus van een vrijstelling tussen 20.000 en 30.000 euro.
Onder financiële activa wordt verstaan: (1) financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, opties en andere derivaten, (2) verzekeringscontracten zoals spaar- en beleggingsverzekeringen, (3) cryptoactiva en (4) valuta en beleggingsgoud.
Grote aandeelhouders met een ‘aanmerkelijk belang’ van 20% of meer van de aandelen in een bedrijf krijgen een niet-geïndexeerde vrijstelling van 1 miljoen euro, gespreid over vijf jaar, en worden onderworpen aan een progressief tarief: 1,25% tussen 1 en 2,5 miljoen euro, 2,50% tussen 2,5 en 5 miljoen euro, 5,00% tussen 5 en 10 miljoen euro en 10,00% boven 10 miljoen euro.
Eventuele minwaarden zijn enkel aftrekbaar binnen hetzelfde belastbare jaar.
Aan het wetsontwerp zitten echter tal van losse eindjes. Er rijzen problemen inzake het gelijkheidsbeginsel (discriminatie), waardoor de wet naar alle waarschijnlijkheid geen toetsing door het Grondwettelijk Hof zal doorstaan. Daarnaast zijn er de niet-aftrekbaarheid van belastingen en kosten, waardoor belastingen op belastingen worden geheven; de fiscale behandeling van minwaarden, waardoor de belasting vaak uitdraait op een minwaardebelasting; de standaard- of default waarderingsmethode; de niet-verrekening van inflatie bij de berekening van meerwaarden; en de niet-indexering van de vrijstelling bij een aanmerkelijk belang, waardoor belasting wordt geheven op een reëel waardeverlies. Verder is er een hele reeks punctuele problemen en onbeantwoorde vragen, die hierna worden besproken.
2. Inkomen uit vermogen
Er bestaat geen enkele economische of andere reden om een fiscaal onderscheid te maken tussen inkomen uit aandelen, met name dividenden, en inkomen op aandelen, zijnde meerwaarden. Beide zijn kapitaalsinkomen, en kapitaalsinkomen is kapitaalsinkomen. Niettemin worden dividenden vandaag belast aan 30% roerende voorheffing, terwijl meerwaarden op dezelfde aandelen tot op heden onbelast bleven. Die ongerijmdheid is het duidelijkst bij kapitalisatiefondsen, die dividenden niet uitkeren maar herinvesteren, waardoor de winst bij verkoop — mede opgebouwd uit dividenden — onbelast blijft. Dat is moeilijk te verantwoorden.
Een meerwaardebelasting is dan ook in principe een logische en aanvaardbare belasting, zij het met twee belangrijke uitzonderingen.
Ten eerste wanneer de belastingdruk reeds zo hoog is dat er geen ruimte meer bestaat voor bijkomende belastingen. Dat is in België het geval, zowel wat betreft de totale belastingdruk als de belastingdruk op arbeid en kapitaal.
Een meerwaardebelasting kan in België enkel worden ingevoerd in het kader van een structurele fiscale hervorming, met name een grondige vereenvoudiging van het belastingstelsel en een substantiële verlaging van de totale belastingdruk. Aan die voorwaarde voldoet de regering-De Wever niet. Uit de begrotingsbesprekingen blijkt immers dat de belastingdruk tijdens deze legislatuur zelfs licht toeneemt: de 3,8 miljard euro aan belastingverlagingen worden volledig tenietgedaan door 3,9 miljard euro aan belastingverhogingen.
Ten tweede wanneer er sprake is van gebrekkige wetgevingskwaliteit en van te veel juridische losse eindjes (daarover gaan de volgende delen). Slechte wetgeving is één zaak, geen wetgeving is een andere. Het is ongehoord dat deze meerwaardebelasting reeds wordt toegepast terwijl er nog geen wet is goedgekeurd. Dit druist in tegen het formele legaliteitsbeginsel in fiscale zaken (‘no taxation without legislation’). Elke belasting moet bij wet worden vastgelegd en democratisch goedkeurd, om rechtszekerheid te garanderen en willekeur te voorkomen.
3. Discriminatie tussen aandeelhouders
In het kader van de meerwaardebelasting worden ‘gewone beleggers’ belast aan 10% met een vrijstelling van 10.000 euro, terwijl ‘grote aandeelhouders’ onderworpen zijn aan tarieven tussen 1,25% en 10%, met een vrijstelling van 1 miljoen euro. Er is dus onmiskenbaar sprake van een verschillende fiscale behandeling.
Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie indien het berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord wordt.
Volgens minister van Financiën Jambon is dat onderscheid objectief en redelijk verantwoord. Maar is dat werkelijk het geval?
In de plenaire vergadering van 10 juli 2025 stelde Jambon dat gewone beleggers ‘gewoon beleggers op de beurs’ zijn, terwijl grote aandeelhouders in wezen ‘ondernemers’ zouden zijn: “Ici, il s’agit d’entrepreneurs qui créent de l’emploi, qui prennent des risques, qui travaillent dur, jour et nuit, pour leur entreprise.”
Het is begrijpelijk dat de regering actieve ondernemers-eigenaars wil ontzien via een hogere vrijstelling. Maar waarom worden ondernemers met 19,9% van de aandelen uitgesloten, terwijl zij eveneens risico’s nemen, jobs creëren en jarenlang belastingen betalen? De grens van 20% is weliswaar objectief, maar mist redelijke verantwoording.
Het kabinet antwoordt zelf aan de Raad van State dat het hier om een boekhoudkundige en vennootschapsrechtelijke norm gaat, los van de bedrijfskundige realiteit. Waarom krijgen stille vennoten met 20% van de aandelen, die niet betrokken zijn bij het dagelijks bestuur, dan wel een ruime vrijstelling? Het fiscale onderscheid is arbitrair en dus discriminerend.
Waarom deze omweg via een boekhoudkundige norm die hier irrelevant is? Waarom wordt niet rechtstreeks verwijzen naar aandeelhouders die tegelijk een actieve rol spelen in een bedrijf, zoals zaakvoerders, actieve bestuurders, directeurs of zelfs werknemers in ‘labor-owned firms’?
4. Discriminatie tussen beleggers
Ook gewone beleggers die hun spaargeld investeren in aandelen en dus in bedrijven, dragen bij aan werkgelegenheid, nemen risico’s met hun zuurverdiende spaargeld, werken jarenlang om een spaarpotje op te bouwen en betalen gedurende hun hele loopbaan ook veel belastingen – als werknemers zelfs de hoogste ter wereld. Waarom worden deze kleine aandeelhouders dan fiscaal benadeeld?
In het oorspronkelijke regeerakkoord was voorzien in een volledige vrijstelling voor meerwaarden die integraal worden geherinvesteerd. Die bepaling heeft het echter niet gehaald. Nochtans zouden dergelijke herinvesteringen evenzeer “bijdragen aan de versterking van de economische groei op lange termijn en het algemene economische weefsel en de welvaart en werkgelegenheid voor de maatschappij”, zoals gesteld in de memorie van toelichting.
Tijdens de onderhandelingen werd bovendien afgesproken om de zogenaamde ‘goede huisvaders’ — beleggers die niet speculeren maar hun aandelen langer dan tien jaar aanhouden — vrij te stellen van de meerwaardebelasting. Ook deze maatregel is geschrapt. Dat is bijzonder zuur voor lange-termijnaandeelhouders, bijvoorbeeld van het Belgisch postbedrijf bpost, die bij verder aanhouden van hun aandelen zelfs dreigen geconfronteerd te worden met een minwaardebelasting. Daarover later meer.
Georges-Louis Bouchez merkte terecht op dat het in de praktijk niet de ‘sterkste schouders’ of de ‘superrijken’ zijn die deze belasting zullen dragen, maar wel Vlaamse familiebedrijven en de Vlaamse werkende middenklasse die spaart en belegt. Dit lijkt de politieke prijs te zijn die Bart De Wever en de N-VA bereid waren te betalen aan de socialisten van Vooruit in ruil voor het premierschap en een reeks sleutelposten, zoals het gouverneurschap van de Nationale Bank, het voorzitterschap van de Belgische participatiemaatschappij SFPIM en de leiding van het nucleaire agentschap Hedera.
5. Aftrekbaarheid van belastingen en kosten
De belastbare basis van de meerwaardebelasting wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de aanschaffingswaarde van financiële activa, zonder rekening te houden met betaalde kosten of belastingen. Belastingen bij aankoop of verkoop, zoals de beurstaks, of kosten voor waardebepaling — bijvoorbeeld door een bedrijfsrevisor — zijn niet aftrekbaar.
Dat is moeilijk te begrijpen. In de economische realiteit vergelijkt elke verkoper immers de netto-opbrengst met de totale kostprijs, inclusief belastingen en kosten, om te bepalen of er daadwerkelijk winst is gerealiseerd.
Wanneer meerwaarden worden beschouwd als gerealiseerd inkomen op aandelen, moeten logischerwijze alle kosten en belastingen in mindering worden gebracht. Zo niet betaalt de belastingplichtige belasting op belasting, bijvoorbeeld een meerwaardebelasting op een reeds betaalde beurstaks. Een inkomstenbelasting hoort het netto-inkomen te belasten, na aftrek van kosten en minwaarden. Zonder die aftrek kan de fiscale druk theoretisch oneindig oplopen.
De beurstaks is bovendien een belasting die bij elke aan- en verkoop wordt geheven op de volledige prijs van een aandeel, inclusief de meerwaarde. In scenario’s met een laag rendement slorpt deze taks zelfs de volledige meerwaarde op, waardoor de meerwaardebelasting verandert in een minwaardebelasting. Hoe hoger het rendement, hoe lager de fiscale druk op de meerwaarde.
Rekenvoorbeeld
Aankoop van aandelen: 1.000.000 euro
Beurstaks (tarief van 1,32%): 13.200 euro
Aanschaffingswaarde: 1.013.200 euro
Verkoop (+1,32%): 1.013.200 euro
- Netto inkomen: 13.200 – 13.200 = 0 euro
- Fiscale meerwaarde: 13.200 euro
- Meerwaardebelasting (10% met vrijstelling van 10.000 euro): 320 euro
- Fiscale druk: 320 / 0 = oneindig
Verkoop (+2%): 1.020.000 euro
- Netto inkomen: 20.000 – 13.200 = 6.800 euro
- Fiscale meerwaarde: 20.000 euro
- Meerwaardebelasting (10% met vrijstelling van 10.000 euro): 1.000 euro
- Fiscale druk: 1.000 / 6.800 = 14,7%
Verkoop (+5%): 1.050.000 euro
- Netto-inkomen: 50.000 – 13.200 euro = 36.800 euro
- Fiscale meerwaarde: 50.000 euro
- Meerwaardebelasting (10% met vrijstelling van 10.000 euro): 4.000 euro
- Fiscale druk: 4.000 / 36.800 = 10,9%
6. Belasting op minwaarden
De meerwaarde wordt berekend als het verschil tussen verkoopprijs en aankoopprijs, waarbij als referentiepunt de waarde van het financieel actief op 31 december 2025 geldt — het zogenaamde ‘fotomoment’. Historische meerwaarden gerealiseerd vóór die datum blijven fiscaal buiten schot.
Wie in 2020 een aandeel aan 100 euro kocht en dit in 2026 verkoopt aan 150 euro, realiseert een inkomen van 50 euro (150 – 100). Stel dat de koers op 31 december 2025 120 euro bedraagt, dan is de fiscale meerwaarde slechts 30 euro (150 – 120). De historische meerwaarde voor 1 januari 2026 wordt dus niet meegenomen.
Minwaarden kunnen verrekend worden met meerwaarden, maar enkel binnen hetzelfde belastbare jaar. Minwaarden zijn dus in principe niet belastbaar. Maar ze zijn niet overdraagbaar. Dat leidt tot problemen wanneer de minwaarden groter zijn dan de meerwaarden: het reële inkomen wordt dan niet correct belast. Een belasting op inkomen moet immers rekening houden met alle verliezen.
Daarbovenop komt het probleem van de historische minwaarden. Indien een aandeel met verlies wordt verkocht doordat de verkoopprijs lager is dan de historische aankoopprijs, maar het aandeel tussen het fotomoment van 31 december 2025 en de verkoopdatum in waarde is gestegen, dan ontstaat er een fictieve meerwaarde die niet belast wordt gedurende vijf jaar, dus tot 31 december 2030. Maar een dag later, vanaf 1 januari 2031 geldt de regeling niet meer. Een feitelijke minwaarde c.q. fictieve meerwaarde wordt dan wel belast. En wie de historische aankoopprijs niet kan bewijzen, moet zelfs belasting betalen over de hele verkoopprijs.
Wie in 2020 een aandeel aan 100 euro kocht en dit in 2030 verkoopt aan 80 euro, realiseert een feitelijke minwaarde van 20 euro (80 – 100). Stel dat de koers van dit aandeel op 31 december 2025 echter 70 euro bedraagt, dan is er een fictieve meerwaarde van 10 euro (80 – 70) die niet belast wordt. In 2031 is dat wel het geval.
7. Inflatie
Bij de berekening van de fiscale meerwaarde wordt geen rekening gehouden met inflatie. Dat betekent dat een louter nominale meerwaarde als belastbaar inkomen wordt beschouwd, ook wanneer de koopkracht van het inkomen uit vermogen is gedaald. Wie aandelen verkoopt tegen een hogere nominale prijs maar, gecorrigeerd voor inflatie, tegen een lagere reële waarde, realiseert geen inkomen maar een verlies.
Wie bijvoorbeeld in 2020 een aandeel aankocht voor 100 euro en dit in 2026 verkoopt voor 120 euro, realiseert nominaal een meerwaarde van 20 euro. Maar bij een gecumuleerde inflatie van 23,34% (Statbel) bedraagt de reële waarde van dat aandeel in prijzen van 2020 slechts 97,3 euro. De belegger lijdt dus koopkrachtverlies, terwijl hij toch belast wordt. Het negeren van inflatie staat haaks op dat principe en leidt tot belastingheffing op fictieve winsten.
Opvallend is bovendien dat de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro voor gewone beleggers wel wordt geïndexeerd, terwijl de vrijstelling van 1 miljoen euro voor aandeelhouders met een aanmerkelijk belang dat niet wordt. Dat onderscheid is moeilijk te rechtvaardigen en vormt opnieuw een potentiële schending van het gelijkheidsbeginsel.
8. Waardebepaling
Het wetsontwerp voorziet in zes mogelijke methodes om de waarde van een financieel actief op 31 december 2025 vast te stellen. Voor beursgenoteerde aandelen geldt de slotkoers op die datum. Voor niet-beursgenoteerde aandelen kan worden uitgegaan van de laatst gekende netto-inventariswaarde, dan wel van de hoogste waarde die voortvloeit uit een overdracht tussen onafhankelijke partijen, een contractuele waarderingsformule, een waardering door een bedrijfsrevisor of erkend accountant, of de zogenaamde standaardmethode.
Die standaardmethode — het eigen vermogen verhoogd met viermaal de EBITDA — doet toch wel wenkbrauwen fronsen. Zij combineert twee verschillende waarderingslogica’s: boekwaarde en rendement. Economisch is dat een weinig coherente mengvorm, die geen rekening houdt met sectorale verschillen, investeringscycli, schuldgraad, levensfase of groeipotentieel van ondernemingen.
Voor jonge bedrijven met een beperkt eigen vermogen en een lage of negatieve EBITDA kan deze formule zelfs leiden tot een waardering van nul. Wordt zo’n onderneming later verkocht, dan resulteert dat automatisch in een aanzienlijke fiscale meerwaarde en dus een zware belasting, ondanks het feit dat het initiële kapitaalrisico volledig bij de ondernemer lag.
De regeling schuift een groot deel van het werk en de verantwoordelijkheid door naar bedrijfsrevisoren en erkende accountants, terwijl de fiscus hun waarderingen steeds kan betwisten. Dat creëert rechtsonzekerheid, verhoogt de administratieve lasten en zal onvermijdelijk leiden tot fiscale betwistingen.
9. Stichtingen van openbaar nut
De meerwaardebelasting is van toepassing op natuurlijke personen en op bepaalde rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, met uitzondering van vzw’s die fiscaal aftrekbare giften mogen ontvangen.
In België bestaan ongeveer 680 stichtingen van openbaar nut. Slechts een klein percentage daarvan beschikt over een erkenning die toelaat om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen. Die erkenning is het resultaat van een bijkomende procedure bij de FOD Financiën, die volgens betrokkenen lang en omslachtig is en voor stichtingen die geen beroep doen op giften weinig toegevoegde waarde heeft.
Nochtans zijn stichtingen van openbaar nut reeds onderworpen aan een strenge erkenningsprocedure: hun statuten moeten worden goedgekeurd door de minister van Justitie en zij verkrijgen rechtspersoonlijkheid via koninklijk besluit. Zij dienen bovendien wettelijk erkende doelen van algemeen belang, zoals filantropische, wetenschappelijke, culturele of educatieve doeleinden.
De vraag rijst dan ook waarom deze procedure niet volstaat om stichtingen van openbaar nut vrij te stellen van de meerwaardebelasting. Welke bijkomende waarborgen acht de fiscus noodzakelijk? En waarin verschilt het toezicht van de FOD Financiën fundamenteel van dat van de minister van Justitie?
10. Verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid
De meerwaardebelasting is eveneens van toepassing op verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid die beschikken over een volmachthouder. In dat geval wordt de volmachthouder persoonlijk belast, met de veronderstelling dat hij of zij de verschuldigde belasting nadien kan recupereren van de vereniging.
Deze constructie roept ernstige vragen op. Hoe verhoudt deze fiscale aansprakelijkheid zich tot het mandaat van de volmachthouder? Wat gebeurt er indien de vereniging niet kan of wil terugbetalen? En welke rechtsmiddelen staan de volmachthouder ter beschikking?
Daarnaast rijst de vraag of deze regeling ook van toepassing is op vakbonden, politieke partijen en mutualiteiten. Moeten hun voorzitters of mandatarissen dan persoonlijk instaan voor de betaling en voorfinanciering van de meerwaardebelasting? Zo ja, dan creëert dit een juridisch en bestuurlijk mijnenveld.
Ter informatie: politieke partijen hebben een vermogen van 125 miljoen euro, voornamelijk in vastgoed. Het financieel vermogen van de rijkste partij, N-VA, bedraagt ruim 14 miljoen euro, waarvan 11,5 miljoen euro is belegd. De tweede financieel rijkste partij, CD&V, heeft 13,3 miljoen euro in kas, waarvan 6,8 miljoen euro in beleggingen. Langs Waalse kant beschikt de rijkste partij, de PS, over 12,5 miljoen euro, waarvan 3,8 miljoen euro in beleggingen.
11. Niet-financiële activa
De meerwaardebelasting is beperkt tot vier categorieën van financiële activa: financiële instrumenten, verzekeringsproducten, cryptoactiva en bepaalde valuta en edelmetalen. Niet-financiële activa, zoals onroerend goed, kunstwerken zoals beelden en schilderijen, zilverwerk, juwelen, wijnflessen en verzamelobjecten zoals Pokémonkaarten of sneakers vallen expliciet buiten het toepassingsgebied.
De motivering hiervoor is zwak uitgewerkt. Er wordt gewezen op de grotere verhandelbaarheid en betere opvolgbaarheid van financiële activa, alsook op de administratieve complexiteit van niet-financiële activa. Die argumenten zijn echter selectief.
Ook aandelen van niet-beursgenoteerde ondernemingen zijn vaak moeilijk verhandelbaar, terwijl bepaalde niet-financiële activa — zoals kunst, wijn of Pokémonkaarten — net zeer liquide markten kennen. Bovendien bestaan er voor vastgoed een kadastraal register en voor kunstwerken mechanismen zoals het volgrecht, die traceerbaarheid mogelijk maken.
Het onderscheid lijkt dan ook eerder pragmatisch-budgettair dan principieel onderbouwd.
12. Effectentaks
De samenloop van de meerwaardebelasting met de bestaande effectentaks roept vragen op over de volgorde van belastingheffing. Afhankelijk van de chronologie — eerst meerwaardebelasting, dan effectentaks, of omgekeerd — verschilt de uiteindelijke fiscale druk.
Dat betekent dat twee belastingplichtigen met een identieke portefeuille en een identiek rendement toch een verschillende belasting betalen, louter op basis van de volgorde waarin belastingen worden geheven. Dat is moeilijk te rijmen met het beginsel van fiscale neutraliteit en rechtsgelijkheid.
In het eerste scenario wordt de portefeuille verkocht en de meerwaarde gerealiseerd. De opbrengst wordt - na heffing van de meerwaardebelasting - volledig geherinvesteerd. Vervolgens wordt de effectentaks geheven.
Rekenvoorbeeld
Effectenrekening: 2.000.000 euro
Meerwaarde (5% rendement): 100.000 euro
Effectenrekening: 2.100.000 euro
Bij verkoop onder eerste scenario (MWB > EFT)
- Meerwaardebelasting (10% met vrijstelling van 10.000 euro): 9.000 euro
- Nieuwe effectenrekening na meerwaardebelasting: 2.091.000 euro
- Effectentaks (0,3% met vrijstelling van 1.000.000 euro): 3.273 euro
- Effectenrekening: 2.087.727
Totale belasting: 12.273 euro
In het tweede scenario wordt eerst de effectentaks geheven. Vervolgens wordt de portefeuille verkocht en de meerwaarde gerealiseerd. De opbrengst wordt - na heffing van de meerwaardebelasting - volledig geherinvesteerd.
Rekenvoorbeeld
Effectenrekening: 2.000.000 euro
Meerwaarde (5% rendement): 100.000 euro
Effectenrekening: 2.100.000 euro
Bij verkoop onder het tweede scenario (EFT > MWB)
- Effectentaks (0,3% met vrijstelling van 1.000.000 euro): 3.300 euro
- Effectenrekening na EFT: 2.096.700 euro
- Meerwaardetaks (10% met vrijstelling van 10.000 euro): 8.670 euro
- Nieuwe effectenrekening: 2.088.030 euro
Totale belasting: 11.970 euro
De chronologie van belastingheffing maakt dus een verschil van 303 euro of 2,5%.
13. Exittaks
Om te vermijden dat belastingplichtigen de meerwaardebelasting ontlopen door emigratie, wordt een persoonlijke exittaks ingevoerd op latente meerwaarden. Deze taks mag niet worden verward met de bestaande bedrijfsexittaks.
Het wetsontwerp voorziet in een regeling van automatisch uitstel van betaling wanneer de belastingplichtige verhuist naar bepaalde jurisdicties. De belasting is dan enkel verschuldigd indien de activa binnen twee jaar na emigratie worden gerealiseerd, of indien de belastingplichtige niet terugkeert binnen die periode.
Cruciale vragen blijven echter onbeantwoord. Welke “bepaalde” jurisdicties worden bedoeld? Gaat het om de lidstaten van de Europese Unie? Waar is de lijst terug te vinden? Wat gebeurt er na afloop van de termijn van 2 jaar? Is de belasting niet langer verschuldigd na 2 jaar en 1 dag? En is de belasting onmiddellijk opeisbaar bij verhuis naar andere dan de “bepaalde” jurisdicties? Deze onduidelijkheid ondergraaft de rechtszekerheid.
14. Beursafhankelijke begroting of fonds voor schuldafbouw
Het invoeren van een nieuwe belasting in een van de zwaarst belaste landen ter wereld is op zich al controversieel. Nog problematischer is het om de structurele financiering van de overheid te laten afhangen van de grillen van de beurs.
De regering De Wever verwacht in de periode 2026-2029 een opbrengst van respectievelijk 250, 300, 400 en 500 miljoen euro. De opbrengsten zijn echter zo onvoorspelbaar en wispelturig zijn als de beurs zelf. Kortom, totaal ongeschikt als stabiele financieringsbron voor de overheid. Of gaan we een patiënt zeggen dat zijn operatie wordt uitgesteld omdat de beurs slabakt? Of vragen we aan de vijand een wapenstilstand tot de beurs weer aantrekt? Of leggen we de politie en de rechtbanken stil als de beurs een jaartje slecht presteert?
De geraamde opbrengsten van de meerwaardebelasting zijn inherent volatiel en onvoorspelbaar. Zij zijn daardoor ongeschikt als stabiele financieringsbron voor kerntaken van de overheid. Overheidsuitgaven horen niet afhankelijk te zijn van beurscycli.
Het is daarom verstandiger om eventuele opbrengsten uit de meerwaardebelasting te beschouwen als eenmalige mee- of tegenvallers en deze aan te wenden voor schuldafbouw. In goede beursjaren kan de staatsschuld worden verminderd, wat op zijn beurt leidt tot lagere rentelasten. In slechte jaren ontstaat dan geen begrotingscrisis.
15. Sparen en beleggen
Sparen en beleggen liggen onder vuur van de regering De-Wever. Naast de meerwaardebelasting wordt ook de vrijstelling van dividenden en spaarrenten niet langer geïndexeerd en wordt de roerende voorheffing op spaarboekjes verdubbeld van 15% naar 30%.
Van de nieuwe Wet Cooreman-Declerq die in het regeerakkoord staat en die bedoeld is om mensen te stimuleren om hun spaargeld in de economie te investeren, is voorlopig nog geen spoor. Als dat een vestzak-broekzakoperatie moest worden - langs de ene kant aanmoedigen, langs de andere kant afpakken en ontmoedigen – dan is voorlopig enkel nog maar het afpakken en ontmoedigen gelukt.
Waarom ontmoedigt deze regering de mensen die hun geld in de economie willen investeren door te sparen en te beleggen?
16. Impact en administratieve lasten
Een degelijke impactanalyse ontbreekt. Er is geen inzicht in de gevolgen van de meerwaardebelasting voor de investeringen in bedrijven, de werkgelegenheid, de verankering van (beloftevolle) ondernemingen, het rendement van beleggingen, de regionale spreiding, de Brusselse beurs of de administratieve lasten.
De administratieve lasten worden vrijwel volledig doorgeschoven naar banken en financiële tussenpersonen, die instaan voor waardering, berekening en inning. Uiteindelijk worden deze kosten doorgerekend aan de klanten. De vraag rijst of dit geen verkapte bankentaks is, en of enige vorm van compensatie wordt voorzien.
17. Conclusie
Als afzonderlijke budgettaire maatregel is de meerwaardebelasting economisch schadelijk en juridisch kwetsbaar. Enkel in het kader van een diepgaande fiscale hervorming, zoals een duale inkomenstaks, en een substantiële verlaging van de belastingdruk kan een dergelijke belasting verantwoord zijn.
Helaas is de regering-De Wever net zomin geslaagd in een fiscale hervorming als haar voorgangers. De meerwaardebelasting, ooit nog door Theo Francken omschreven al ‘onethisch en immoreel’ en door Georges-Louis Bouchez als ‘een onaanvaardbare taks op succes’, komt er enkel en alleen om de socialisten te paaien en de begrotingskraters te dempen. Het is een belasting die het ondernemerschap en de welvaart van dit land en van Vlaanderen in het bijzonder vernietigt.
Het voorliggende wetsontwerp, zoals ingediend in januari 2026, is slordig opgesteld, bevat talrijke onduidelijkheden en creëert aanzienlijke rechts- en economische onzekerheid. Met zoveel structurele tekortkomingen kan moeilijk worden volgehouden dat dit ontwerp bijdraagt aan een rechtvaardiger, eenvoudiger of efficiënter belastingstelsel.