Meerwaardebelasting: "Wie zal leven, zal zien"

Meerwaardebelasting: "Wie zal leven, zal zien"

Samenvatting

 

De meerwaardebelasting is een voorbeeld van goed bedoelde, maar slecht uitgevoerde wetgeving. Groeibedrijven worden afgeremd en beleggers weggejaagd door de discriminatie tussen kleine beleggers en grote aandeelhouders, tussen ondernemers met of zonder aanmerkelijk belang van 20 procent en door de niet-vrijstelling van geherinvesteerde meerwaarden. Deze belasting belast ook transactiekosten en andere taksen (taks-op-taks), reële minwaarden (inflatie) én historische minwaarden (vanaf 1 januari 2031). Wie armer wordt, wordt dus belast alsof hij rijker wordt. De volatiele opbrengsten dienen niet voor schuldafbouw, maar – en dat is onverantwoord beleid - voor de financiering van structurele overheidsuitgaven en de complexiteit leidt tot hoge administratieve lasten voor banken en makelaars. Niet-beursgenoteerde en familiale bedrijven kampen met rechtsonzekerheid over interne meerwaarden. Achterpoortjes zoals private privaks worden niet gesloten. Wie emigreert, wordt bestraft met een exittaks. Deze meerwaardebelasting is een gedrocht, een onontwarbaar kluwen met negen tarieven, talloze uitzonderingen en discriminaties, zonder enige begeleidende maatregel die ondernemerschap of investeringen ondersteunt. Het vormt een bedreiging voor onze welvaart.

 

Plenaire vergadering van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op donderdag 2 april 2026

Inleiding

 

Minister, collega’s,

Herkent u dit document? Het is het advies van de Inspectie van Financiën over de meerwaardebelasting. Een advies dat de regering heeft opgevraagd “met urgentie binnen de 12 werkdagen” in – hou u vast - april 2025! Een jaar geleden dus. Met urgentie.  Dat zegt het allemaal. Maar als de oppositie het advies van de Raad van State vraagt over technische amendementen - een vertraging van slechts enkele weken - dan is het kot te klein.

Het is een klein detail, zou u kunnen denken. Maar in de politiek zijn details vaak geen voetnoten.

Het uitstel en de vertraging in dit en andere dossiers is onthutsend en tekenend voor het bestuurlijk amateurisme van de regering De Wever. En dan druk ik mij eigenlijk nog te vriendelijk uit en doe ik onrecht aan de vele amateurs die wel inzet een minimum aan discipline aan de dag leggen om afspraken na te komen en deadlines te halen.

Wat we hier - nu al meer dan een jaar - zien gebeuren, is van een andere orde. Deze regering is een ongeziene bende knoeiers en prutsers. Vivaldi had de lat voor incompetentie al hoog gelegd; Arizona legt ze los tegen het plafond.

Collega’s,

Er trekt al maandenlang een karavaan door dit parlement. Een karavaan van verdwaalde kamelen, vol geladen met falende dossiers:

  • een rottende begroting,
  • een exploderende staatsschuld met ontsporende rentelasten,
  • de vergeten mantelzorgers bij de beperking van de werkloosheid in de tijd,
  • de vrouwen die bestraft worden in de pensioenhervorming,
  • de fiscale aanval op huismannen en -vrouwen,
  • de mislukte hervorming van het Grondwettelijk Hof,
  • de accijnsverhoging bovenop de reeds snel stijgende energieprijzen,
  • de btw-chaos op meeneemmaaltijden, sport en cultuur.

En ga maar door. En de meerwaardebelasting is de zoveelste stinkende kameel die hier voorbijtrekt.

Wat mij opvalt, is het complete mismanagement van het beleid. De regering De Wever heeft bijvoorbeeld geen clou van wat de impact van haar maatregelen is. Dat is geen oppositietaal, dat is een vaststelling die keer op keer bevestigd wordt.

De regering is vaak hopeloos te laat met haar wetsontwerpen en programmawetten. Simpele zaken als een regelgevingsagenda: blijkbaar nog nooit van gehoord of gebruikt.

Of reguleringsimpactanalyse: nochtans geen luxe, geen academische oefening, maar de absolute basis van goed bestuur. Weten wat men doet, en vooral: weten wat de gevolgen zijn.

Of het nu gaat over de hervorming van de personenbelasting — wat is de impact bijvoorbeeld op kansarmoede? De Raad van State stelt die vraag, niet uit academische nieuwsgierigheid, maar uit noodzaak.

En het antwoord is: men weet het niet; men rommelt maar wat aan - een fiscaal experimentje op kap van de zwakkeren; kortom, de regering vaart blind en recht op de klippen af.

Of het nu gaat over de invoering van deze meerwaardebelasting - wat is de impact op het ondernemerschap, de investeringen in bedrijven, het rendement van beleggingen, de werkgelegenheid, de verankering van startende en groeibedrijven, de beurs…

Men weet het niet, men berekent het niet, men beslist toch; men vaart blind. De meerwaardebelasting is geen stinkende kameel; het is een stinkende, blinde kameel die maar wat ronddoolt in de woestijn.

Collega’s,

ik heb gemerkt dat de minister van Financiën problemen heeft met begrijpend luisteren. Daarom wil ik eerst ons standpunt over een meerwaardebelasting herhalen, zodat daar geen misverstand kan over bestaan.

Wij vertrekken van het principe dat er geen reden is om een fiscaal onderscheid te maken tussen inkomen uit aandelen (oftewel dividenden) en inkomen op aandelen (oftewel meerwaarden). Beide zijn inkomen uit kapitaal. Punt.

Dat het onderscheid kunstmatig is en dus ongerechtvaardigd, blijkt uit het bestaan van financiële vehikels zoals kapitalisatiefondsen die de dividenden uit de aandelen die in het fonds zitten, niet uitkeren, maar in het fonds houden, waardoor de waarde van het fonds stijgt. Bij verkoop van dat fondsaandeel bleef de meerwaarde tot op heden onbelast, hoewel die meerwaarde dus voortkwam uit opgepotte dividenden.

De reden van die kapitalisatie was dus vaak louter fiscaal, namelijk het vermijden van de roerende voorheffing van 30% op dividenden. Dat is uiteraard niet correct, want inkomen is inkomen. Daar kan weinig discussie over bestaan. Wij zijn in principe dus niet gekant tegen een meerwaardebelasting, weliswaar met twee uitzonderingen.

Ten eerste, wanneer de belastingdruk al erg hoog is, zoals in dit land het geval is. Dan wordt elke nieuwe belasting geen correctie, maar een belasting te veel.

De invoering van een meerwaardebelasting mag dan ook geen maatregel zijn die louter dient om de begroting te spekken. En laat ons eerlijk zijn: dat is hier wél het geval. Dit is geen hervorming, dit is een zoektocht naar meer inkomsten, naar platte belastingen.

Nogmaals: een meerwaardebelasting kán voor ons, maar enkel wanneer ze wordt ingevoerd in het kader van een structurele fiscale hervorming. Dat betekent aan de ene kant een grondige fiscale vereenvoudiging en aan de andere kant een drastische verlaging van de totale belastingdruk. Niet een beetje minder complex, niet een beetje minder zwaar — maar fundamenteel hervormd.

Om het sparen en beleggen toch niet helemaal te ontmoedigen, moet de invoering van een meerwaardebelasting gelijktijdig gepaard gaan met een reeks begeleidende maatregelen:

  • de vereenvoudiging van de fondsenreglementering,
  • de hervorming (al dan niet afschaffing) van de beurstaks,
  • de hervorming van de private privaks,
  • de hervorming (bij voorkeur verlaging) van de roerende voorheffing en van het gereglementeerd sparen,
  • een verbetering van de huidige belastingverminderingen voor investeringen in startende ondernemingen en groeibedrijven (Cooreman-Declercq bis).

Tot nu toe horen we enkel aankondigingen. Veel plannen, weinig uitvoering. En de vraag is of er nog wel genoeg tijd is om dat recht te zetten. De klok tikt.

Ten tweede, is een meerwaardebelasting uit den boze wanneer er sprake is van slechte wetgevingskwaliteit. Tussen haakjes: op de website van de Kamer vindt u nog steeds een verwijzing naar het Comité voor Wetsevaluatie dat bedoeld om de federale wetgeving in België te evalueren en de kwaliteit ervan te verbeteren. Het Comité ligt al plat sinds 2014. Een duidelijk teken aan de wand.

Het is jammer dat de regering niet meer rekening houdt met de opmerkingen en voorstellen van de oppositie. Dat is geen klacht, het is gewoon een vaststelling. En het is een gemiste kans. Zo had de regering beter geluisterd naar de oppositie toen die aangaf dat de btw-hervorming niet zou werken of dat mantelzorgers te zwaar getroffen zouden worden door de beperking van de werkloosheid in de tijd.

Collega’s,

Het regelgevend proces vergt twee beleidskeuzes: ten eerste, de keuze voor het meest geschikte beleidsinstrument en, ten tweede, de keuze betreffende de modaliteiten ervan.

Over de opportuniteit van een meerwaardebelasting kunnen meningen verschillen. Dat is normaal in een democratie. Maar over de kwaliteit van de uitvoering zou dat minder het geval mogen zijn.

Omdat de oppositie natuurlijk beseft dat de meerwaardebelasting zal worden doorgedrukt, ging en gaat de discussie vooral over de modaliteiten. Maar zelfs daar botsten wij op een muur. Technische opmerkingen worden genegeerd, constructieve voorstellen worden weggestemd, en soms zelfs niet eens geagendeerd. Dat is een merkwaardige manier om beleid te voeren: eerst beslissen, en dan niet meer willen luisteren.

Door onze opmerkingen en argumenten te negeren, verdwijnen ze niet. Ze verplaatsen zich. Van het parlement naar de rechtbanken. Krakkemikkige wetgeving leidt tot meer conflicten in de samenleving en tot een toenemende juridisering. Niet omdat burgers moeilijk doen, maar omdat ze geconfronteerd worden met regels die niet deugen.

Het lijkt erop dat deze regering na het bereiken van een politiek compromis, alles snel-snel in een tekstje wil gieten, ook al worden daarmee fundamentele wettelijke en fiscale regels aan de laars gelapt. Maar er zijn grenzen aan de politieke vrijheid op fiscaal vlak.

De regering mag zich dan ook verwachten aan tal van juridische procedures om fiscale discriminaties en wettelijke ongerijmdheden aan te vechten. Dit is uiteraard ongunstig voor de budgettaire doelstellingen van de regering. Maar het is ook ongunstig voor het vertrouwen van de burger in de overheid.

De minister van Financiën noemt de meerwaardebelasting “robuust”. Ach ja, what a fool believes, he sees, om de Dooby Brothers te citeren. Ik herhaal alvast onze voornaamste punten van kritiek. U doet ermee wat u wil, maar ik geloof oprecht dat u zich veel miserie kan besparen door aandachtig te luisteren en rekening te houden met volgende punten.

 

1a. Schending van het gelijkheidsbeginsel

 

Ten eerste, is er de schending van het gelijkheidsbeginsel, waardoor de meerwaardebelasting naar alle waarschijnlijkheid een toets door het Grondwettelijk Hof niet zal doorstaan. Ook fiscale juristen als prof. Michel Maus zijn die mening toegedaan.

Er is namelijk geen objectieve of redelijke reden, waarom kleine beleggers 10% belasting moeten betalen en slechts 10.000 euro belastingvrijstelling krijgen en grote aandeelhouders met 20% van de aandelen – het zogenaamde ‘aanmerkelijk belang’ – tussen 1,25 en 10% met een vrijstelling van 1 miljoen euro. Wat is de economische logica? Dat is de vraag van 1 miljoen. Er zit geen logica achter.

De norm van 20% is misschien meetbaar, maar daarom nog niet betekenisvol. Het is een technisch criterium opgevist uit het boekhoudrecht, het vennootschapsrecht en het Europees recht dat plots wordt opgeblazen tot een fundamenteel onderscheid tussen ‘kleine beleggers’ en ‘grote aandeelhouders’.

De minister van Financiën omschreef die grote aandeelhouders in de plenaire vergadering van 10 juli 2025 als “ondernemers, geen beleggers” die “zorgen voor werkgelegenheid, risico’s nemen, dag en nacht hard werken, en heel hun leven lang veel belastingen betalen”. Maar economie is geen semantiek. Wie risico neemt, is een investeerder. Punt.

En geldt dat dan niet evenzeer voor een ondernemer met 19,9% van de aandelen? De vraag stellen, is ze beantwoorden.

Waarom geldt het wel voor ‘stille vennoten’ met 20% van de aandelen, die niet betrokken zijn bij het managen van het bedrijf? En waarom geldt het niet voor ‘kleine beleggers’ die hun spaarcenten in een aandeel steken en dus in een bedrijf investeren? Ook zij nemen risico’s, ook zij dragen bij. Deze discriminatie is echt knoeiwerk, knoeiwerk, en getuigt van weinig inzicht in de werking en kapitaalfinanciering van bedrijven.

Het wordt nog gekker, want de minister van Financiën verklaarde dat “Indien er A, B en C aandelen zijn, moet de 20% in zijn geheel worden beoordeeld en dus A, B en C aandelen samen.”

C-aandelen tellen dus mee, hoewel die slechts beperkte rechten hebben en vaak zelfs geen stemrecht. Zij worden doorgaans gebruikt voor andere doeleinden zoals werknemersparticipatie, dividenduitkeringen of algemene publieke deelname, kortom aandelen zonder invloed op de bedrijfsleiding. Zij hebben dus weinig van doen met het ondernemerschap van het ‘aanmerkelijk belang’, maar verwateren wel dat belang van de echte ondernemers.

 

1b. Gevolg: discriminatie van doorgroeibedrijven

 

Het criterium van 20% is dus arbitrair, heeft geen uitstaan met ondernemerschap en is dus discriminerend. Waarom zegt de regering niet waar het op staat? Waarom die omweg via een irrelevante boekhoudkundige norm? Het gaat om een verhoogde vrijstelling voor aandeelhouders die ook ondernemers zijn, die een actieve rol spelen in een bedrijf, hetzij als zaakvoerder, hetzij als actieve bestuurders of directeurs of zelfs werknemers in een ‘labor-owned firm’.

Ik moet de vraag stellen: begrijpt de regering, begrijpt deze minister van Financiën wel wat de impact van deze regel is op onze bedrijven en op onze economie? Ik durf daaraan twijfelen, als ik zijn louter juridische reactie hoor (“De Raad van State heeft niks gezegd, dus het zal wel in orde zijn.”). Maar als hij het wel begrijpt, dan maakt hij zich schuldig aan schuldig verzuim met grote negatieve gevolgen voor onze welvaart. Dan kan de premier nog zoveel boekjes schrijven als hij wil; het gaat niet lukken met dit soort maatregelen dat het ondernemerschap kapot maakt.

Wat is het punt? De 20%-voorwaarde belemmert de doorgroei van starters en kleine bedrijven naar middelgrote en grote bedrijven. Want zo’n doorgroei vereist vaak het aantrekken van nieuw kapitaal, nieuwe vennoten, nieuwe investeerders, waardoor het belang van de oorspronkelijke initiatiefnemers verwatert. De realiteit is dat groei gepaard gaat met verwatering. Wie investeerders aantrekt, ziet zijn aandeel dalen. Dat is geen probleem, dat is vooruitgang. Maar deze wet bestraft dat economische groeiproces. Ze ontmoedigt de groei van bedrijven door succes fiscaal minder aantrekkelijk te maken.

Bewijs daarvan is de petitie van meer dan 1.100 Vlaamse kmo’s tegen deze meerwaardebelasting, vooral tegen het discriminerende karakter van het aanmerkelijk belang, de 20 procent-regel.

Andy Coomans, medeoprichter van het opleidingsbedrijf BlackBird Business Events en initiatiefnemer van de petitie, ziet twee problemen. Ten eerste, kmo’s die bezig zijn met een overdracht, niet met externe overnemers, maar met interne mensen van binnen de onderneming. Vaak komen die niet aan de drempel van 20 procent, wat zo’n overname minder interessant maakt en dus bemoeilijkt.

Ten tweede, kmo’s die via kleine overnames willen groeien, omdat de overgenomen bedrijven mee in het kapitaal van het ‘nieuwe’ bedrijf participeren, waardoor de belangen van bestaande aandeelhouders verwateren. Coomans is duidelijk: "Het effect kan zijn dat die bedrijven vaker in één keer door externen zullen worden overgenomen en in buitenlandse handen terechtkomen." Is dat wat de regering wil? Is dat de strategie voor meer welvaart?

In de petitie pleiten de kmo’s voor de oplossing die wij ook naar voren hebben geschoven, maanden geleden en vandaag weer: als de regering een onderscheid wil maken tussen een belegger en een ondernemer, doe dat niet op basis van 20 procent, maar op basis van de uitoefening van een bestuursmandaat.

Een opvallende getuigenis is die van Thomas Van Eeckhout van het IT-bedrijf Easi, dat werkt met een aandeelhoudersmodel, waarbij een groot deel van het bedrijf in handen is van het personeel: 161 van de 700 werknemers, vaak met een belang van 0,1 à 0,2 procent. Ze hebben er hun zuurverdiende centen in gestoken, en sommigen hebben er zelfs voor geleend.

Maar wat mij het meest bijblijft, is zijn politieke realiteitszin: “Wat me het meest stoort, is dat je al op voorhand weet dat het tarief van 10 procent een beginpercentage is dat in de toekomst verder zal stijgen. De meerwaardebelasting wordt gezien als een trofee, maar er wordt te weinig beseft dat het ook aandeelhouders raakt die geen pure beleggers zijn.”

De regering zegt dat ze sterke bedrijven wil; het is enkel lippendienst. In werkelijkheid stelt ze regeltjes op die onze bedrijven klein houden. Dat is geen economische strategie, dat is economisch analfabetisme. Het lijkt de Europese Unie wel, met zijn verstikkende regelgeving. Maar het is de Belgische regering.

Om prof. Maus te citeren: “Dat er een meerwaardebelasting wordt ingevoerd, kan niet echt een probleem zijn. Maar dat deze meerwaardebelasting wordt ingevoerd is echt wel een probleem. Daar kan ik de ondertekenaars van deze petitie enkel maar in volgen. De 20% benchmark is nefast voor scaleups en generationele opvolging. De verwatering van participaties zal voor een groot fiscaal verschil zorgen. Dat stimuleert het ondernemen niet. Men had dit veel beter kunnen aanpakken […] Een procedure bij het GW-Hof acht ik zeker niet kansloos.”

 

1c. Vrijstelling van geherinvesteerde meerwaarden

 

Ik wil aansluitend dan ook het pleidooi herhalen voor de volledige vrijstelling van meerwaarden die volledig geherinvesteerd worden, zoals in het oorspronkelijke akkoord over de meerwaarden was opgenomen.

Wie meerwaarde realiseert en die onmiddellijk opnieuw investeert in productieve activiteiten, onttrekt geen middelen aan de economie — hij versterkt ze. Hij haalt geen geld uit het systeem, hij pompt het er opnieuw in. Het is dus op zijn minst merkwaardig dat precies dat gedrag fiscaal niet wordt aangemoedigd, maar integendeel wordt behandeld alsof het consumptie is.

Zoals de regering zelf schrijft in haar eigen Memorie van Toelichting: “Deze middelen dragen bij aan de versterking van de economische groei op lange termijn en het algemene economische weefsel en de welvaart van en werkgelegenheid voor de maatschappij.” Met andere woorden: dit is geen fiscale gunst, dit is een economische noodzaak. Maar kijk, papier is vergankelijk.

Men zou bijna denken dat de regering De Wever liever heeft dat kapitaal stilstaat dan dat het maatschappelijk rendeert.

Nochtans, in tal van landen bestaat een dergelijke vrijstelling bij herinvestering. Niet omdat men daar naïef is, maar omdat men begrijpt dat economische groei niet ontstaat door kapitaal te belasten op het moment dat het zich heroriënteert.

De afwezigheid van een dergelijke vrijstelling in het wetsontwerp is dus niet alleen een gemiste kans, het is een actieve ontmoediging van investeringsgedrag.

En laat ons eerlijk zijn: als men tegelijk klaagt over een gebrek aan investeringen, over bedrijven die moeilijk kapitaal vinden, over start-ups die naar het buitenland trekken, dan is het op zijn minst paradoxaal om net die mechanismen die herinvestering stimuleren, niet te ondersteunen.

 

2. Belasting op belasting

 

Ten tweede, is er de niet-aftrekbaarheid van belastingen en kosten, waardoor er belastingen op belastingen worden geheven. Taks op taks.

Collega’s, ik ga jullie dezelfde vraag stellen als degene die ik aan de minister van Financiën heb voorgelegd: als u een auto koopt voor 20.000 euro en 4.200 euro btw, samen 24.200 euro, en u verkoopt die voor 25.000 euro. Hoeveel winst heeft u dan gerealiseerd? 800 euro. Maar voor de regering moeten wij belasting betalen op een meerwaarde van 5.000 euro, want de belastingen tellen zogezegd niet mee.

Het is nog erger. Wie een auto koopt voor 20.000 euro en 4.200 euro btw, samen 24.200 euro, en verkoopt voor 23.000 euro, verliest 1.200 euro, maar wordt toch belast op 3.000 euro. Dit is absurd. Dat is economische waanzin. Meerwaarde is ‘inkomen’ op aandelen, d.w.z. na aftrek van belastingen en kosten.

Mijnheer de minister, fiscaliteit hoeft niet per se eenvoudig te zijn, maar ze moet wel logisch blijven. In dit geval is het principe doodeenvoudig: belast wat iemand verdient, niet wat iemand lijkt te verdienen. En toch slaagt u erin om precies dat onderscheid te negeren.

Kosten worden niet in rekening gebracht, reeds betaalde belastingen worden genegeerd, en het resultaat is dat u belastingen heft op bedragen die nooit een werkelijke meerwaarde hebben gevormd. Dat is geen detail, dat is een fout in het systeem, absoluut knoeiwerk.

Dit betekent dat beleggers belast worden op een brutobedrag dat geen rekening houdt met de fiscale werkelijkheid, waarin die belegging tot stand kwam. De beurstaks, de effectentaks, transactiekosten — ze verdwijnen allemaal uit de berekening wanneer het moment van meerwaardebelasting aanbreekt. Wat overblijft, is een fictie die vervolgens wordt belast. Dat is niet alleen economisch inefficiënt, het is ook moeilijk verdedigbaar vanuit het principe van rechtvaardigheid. U kan veel vragen van burgers, maar u kan moeilijk verwachten dat zij begrijpen waarom zij belasting betalen op geld dat zij nooit effectief hebben verdiend.

Concreet wordt er in dit land meerwaardebelasting geheven op de beurstaks en desgevallend ook op de effectentaks. Taks op taks. Het kan niet op. Dit getuigt van economische onwetendheid over de negatieve cumulatieve effecten op het beleggingsgebeuren en de kapitaalmarkt.

 

3. Minwaardebelasting

 

Ten derde is er de niet-belasting van historische meerwaarden. Dat is een goede zaak. De meerwaarden gerealiseerd voor 1 januari 2026, dus voor de invoering van de belasting, worden niet belast, omdat ze tot dan ook niet belast werden. Simpel.

Rechtszekerheid betekent dat regels niet met terugwerkende kracht worden toegepast. Burgers organiseren hun leven op basis van bestaande regels. Dat vertrouwen is essentieel. Maar dan rijst onvermijdelijk de vraag: waarom geldt dat principe selectief? Waarom wordt het hier gerespecteerd en elders niet? Waarom is er wel respect voor historische meerwaarden, maar niet voor historisch opgebouwde rechten elders? Dat is geen louter technische vraag, dat is een vraag naar consistentie.

De problemen en zelfs drama’s die de retroactieve invoering van wetgeving veroorzaakt, worden vandaag pijnlijk geïllustreerd door de pensioenhervorming waar vrouwen die dicht bij hun pensioen staan, ongenadig worden afgestraft. Door uw asociale regering.

Voor alle duidelijkheid: wij zijn tegen de retroactieve invoering van wetgeving, omdat burgers beslissingen nemen en hun leven inrichten op basis van afspraken, die wel kunnen worden aangepast, maar niet met terugwerkende kracht. Burgers kunnen hun leven immers niet overdoen.

Concreet: waarom wordt nieuwe regelgeving niet retroactief ingevoerd voor beleggers, en wel voor gepensioneerden? Waarom is er wel respect voor historische meerwaarden, en niet voor historisch opgebouwde pensioenrechten? Ik heb daar nooit een antwoord op gekregen. Omdat er ook geen redelijk antwoord is. Het moet moeilijk leven zijn met die schizofrene situatie in uw hoofd.

Weet u welk antwoord ik gekregen heb? Weet u het nog, mijnheer de minister? U bent het ook op televisie en radio blijven herhalen. “U kan toch niet verwachten dat er tijdens een 45-jarige loopbaan niets verandert?” Nee, natuurlijk niet, maar de verandering begint te tellen vanaf het moment dat het verandert. Mensen kunnen niet schakelen, omdat de tijd niet kan worden teruggedraaid. De oude regels gelden tot aan de invoering van de nieuwe wetgeving; de nieuwe regels vanaf de invoering ervan.

Collega’s, het wordt nog straffer: slechte, retroactieve wetgeving is één ding, geen wetgeving is een ander. Het is ongehoord dat deze belasting al sinds 1 januari wordt toegepast, terwijl het parlement nog niet gestemd had – wellicht binnen enkele uren. “No taxation without representation” kennen we uit de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd. Geen belasting zonder politieke vertegenwoordiging.

Maar evenzeer geldt: “no taxation without legislation”. Het formele legaliteitsbeginsel is geen formaliteit. Het is een bescherming tegen willekeur. Het formele legaliteitsbeginsel in fiscale zaken houdt in dat elke belasting bij wet moet worden vastgelegd om rechtszekerheid te garanderen en willekeurige heffingen door de overheid te voorkomen; dit vereist duidelijke en democratisch gelegitimeerde wetgeving.

Het feit dat belastingen worden toegepast nog voor het wetgevend kader volledig is afgerond, is bijzonder problematisch. U zet daarmee het parlement buiten spel. U zet daarmee de rechtsstaat buiten spel. U lijkt op een man die het liefst met Executive Orders wil werken. De meerwaardebelasting is een democratisch dieptepunt. Er zijn echt grenzen aan de politieke vrijheid op fiscaal vlak.

Daarnaast is er de regeling rond minwaarden.

Het is terecht dat minwaarden aftrekbaar zijn binnen hetzelfde jaar. Het zou er aan moeten mankeren. Verlies is geen inkomen.

Maar waarom zijn ze niet overdraagbaar naar volgende jaren? Een verlies dat vandaag wordt geleden, is morgen niet minder reëel. Het is niet weg. Door die overdraagbaarheid te weigeren, creëert u een onbegrijpelijke asymmetrie: winsten worden volledig belast, verliezen slechts gedeeltelijk erkend. Dat is geen evenwichtige fiscaliteit.

En dan is er nog de beperking in de tijd van historische minwaarden. Die worden slechts erkend tot 31 december 2030. Daarna worden historische minwaarden dus wél belast! Laat dat even inzinken. De meerwaardebelasting is een minwaardebelasting.

Maar waarom precies die datum? Wat verandert er fundamenteel op 1 januari 2031? De enige uitleg die we kregen, was dat “vijf jaar tijd genoeg is”. Dat is geen argument, dat is een gok. Het suggereert dat de economische realiteit zich laat plannen volgens een kalender. Alsof verliezen zich netjes laten afwikkelen binnen een vooraf bepaalde termijn. Waarom zou een belegger een verlieslaten aandeel niet wat langer aanhouden? Dit getuigt van economische wereldvreemdheid.

 

4. Inflatie

 

Ten vierde, is er de niet-verrekening van de inflatie bij de berekening van meerwaarden en de niet-indexering van de belastingvrijstelling van 1 miljoen euro.

Dat lijkt een technisch detail, maar het is in werkelijkheid een van de meest fundamentele problemen van deze belasting. Inflatie is geen fictie. Het is een reëel fenomeen dat de waarde van geld aantast. Wie een nominale winst realiseert, maar in reële termen verliest, wordt in dit systeem toch belast. Met andere woorden: men kan armer worden en toch belasting betalen alsof men rijker is geworden. Dat is niet alleen economisch problematisch, het is ook moeilijk uit te leggen aan wie het ondergaat.

Deze meerwaardebelasting is niet enkel een belasting op belasting, maar ook een belasting op inflatie, een sluipende belasting. Dat is ronduit economisch sadisme.

 

5. Fonds voor schuldafbouw

 

Ten vijfde, blijf ik aandringen om de opbrengsten van de meerwaardebelasting niet te gebruiken voor de structurele financiering van de overheid, maar voor de schuldafbouw.

De reden is eenvoudig: de opbrengsten zijn onzeker en onvoorspelbaar, even onzeker en onvoorspelbaar als de beurs zelf. Dat wordt niet alleen door de oppositie gezegd, maar ook door de Inspectie van Financiën: “De geraamde opbrengsten [zijn] gebaseerd op aannames en prognoses die de daadwerkelijke opbrengst zeer onzeker maken.”

Dat is een diplomatieke manier om te zeggen: we weten het niet. En toch kiest u ervoor om deze onzekere inkomsten in te zetten voor structurele uitgaven. Ons fiscale huis is al een grote koterij, nu komen er nog rotte fundamenten onder.

De minister van Financiën verklaarde op een bepaald moment: “Het klopt dat de meerwaardebelasting een zekere conjunctuurgevoeligheid vertoont…” Dat is een understatement. De opbrengsten van deze belasting zullen schommelen met de financiële markten, met het gedrag van beleggers. Dat is veel grilliger dan de belastingen op productie, inkomen en consumptie. Dat maakt meerwaardebelastingen per definitie ongeschikt voor structurele uitgaven.

Gebruik ze dan waarvoor ze wel geschikt zijn: schuldafbouw. In de jaren dat de beurzen goed presteren, wordt de staatsschuld afgebouwd. In slechte beursjaren of bij een beurscrash wordt de schuld even niet afgebouwd. Dat is voorzichtig, dat is verstandig, dat is verantwoord beleid.

In haar advies benadrukt de inspectie van Financiën ook dat “gezien deze onzekerheden en de grote volatiliteit van de inkomsten die onder meer voortvloeit uit de onvoorspelbaarheid van de ontwikkelingen op de financiële markten, de veranderingen in het gedrag van belastingplichtigen en de mogelijkheid om verliezen af te trekken, is een strikte monitoring van de budgettaire gevolgen voor de inkomsten noodzakelijk. In ieder geval mogen de inkomsten uit deze maatregel niet worden gebruikt om uitgaven van structurele aard te dekken.”

De opbrengst wordt nog onzekerder, want de meerwaardetaks zal niet alleen ontwéken kúnnen worden — ze zál ontweken worden. Het beleggingsadvies circuleert nu al: verkoop zodra je 10.000 euro meerwaarde bereikt, of verkoop eind december en koop begin januari terug, of — en dat is veelzeggend — verhuis als jonge ondernemer naar een fiscaal vriendelijker land.

Maar er is nog een achterpoortje waar de minister van Financiën wel weet van heeft en waarover hij zedig zwijgt. Beleggers in ‘privaatrechtelijke beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal’, kortweg: private privaks, kunnen aan de meerwaardebelasting ontsnappen dankzij een fiscale vrijstelling.

Onder de huidige regels zijn ze vrijgesteld van belastingen op de winsten en de meerwaarden die ze van dergelijke private-equityfondsen krijgen uitgekeerd. Als het fonds winst uitkeert en die winst komt voort uit meerwaarden op zijn aandelenparticipaties, dan moet de particuliere belegger daar geen roerende voorheffing op betalen.

Dat is geen nuanceverschil, dat is een ongelijke behandeling. Maar oogjes dicht en snaveltjes toe.

Wordt dat rechtgezet? Op die vraag antwoordde de minister van Financiën: “Wie zal leven, zal zien.”

Je kan ermee lachen. Maar als dit het niveau is van antwoorden van de hoogste gezagsdragers, dan is dat vooral onthutsend. Het getuigt van een schrijnend gebrek aan visie en fiscale kennis — én van een gebrek aan respect voor de rechtsstaat, die net vraagt om ernst, duidelijkheid en voorspelbaarheid.

 

6. Administratieve lasten

 

Ten zesde, de administratieve lasten. Wie zelf geen aandelen heeft, zal de meerwaardebelasting wellicht een ver-van-mijn-bed show vinden. Wie denkt dat deze belasting enkel de belegger raakt, vergist zich. Niets is minder waar. Iedereen zal deze belasting voelen.

De berekening, de inning en de doorstorting worden immers doorgeschoven naar de banken. En die berekening is allesbehalve eenvoudig. Negen tarieven, complexe regels voor waardering en voor aanmerkelijk belang, verschillende aankoopmomenten, meerwaarden bij verkoop in buitenlandse munten — het geheel wordt een administratieve puzzel van formaat.

De complexiteit van het systeem verhoogt bovendien de kans op fouten, betwistingen en bijkomende administratieve lasten voor de overheid.

De administratieve lasten voor de banken worden geschat op minstens 60 tot 80 miljoen euro. En zoals altijd in dergelijke gevallen, zal die kost worden doorgerekend. Niet alleen aan beleggers, maar aan alle klanten. Iedereen zal deze belasting voelen, ook wie nooit een aandeel heeft gekocht.

Dat is misschien de meest ironische vaststelling: een belasting die gericht zou zijn op de sterkste schouders, wordt in de praktijk gedragen door alle schouders.

 

Conclusie

 

Ik rond af.

Deze coalitie was er bijna niet gekomen door de meerwaardebelasting. Georges-Louis Bouchez, de John McEnroe van de Belgische politiek, trok er de stekker uit in augustus 2024, in december 2024, in januari 2025 in de Koninklijke Militaire School. En zelfs de regeringsverklaring moest een half uur worden uitgesteld, omdat er nog steeds onenigheid was binnen de meerderheid over de meerwaardetaks.

Amateurisme, incompetentie, knoeiwerk, geen visie of strategie, onkunde en onwetendheid, economisch analfabetisme en wereldvreemdheid, economisch sadisme en misprijzen voor de democratische rechtsstaat.

De meerwaardebelasting is verworden tot een onontwarbaar kluwen: ontzettend veel tarieven, talloze uitzonderingen en manifeste ongemotiveerde ongelijkheden, zonder enige begeleidende maatregel die ondernemerschap of investeringen ondersteunt. Ze remt groeibedrijven af en jaagt beleggers weg. Niet-beursgenoteerde en familiale bedrijven worden geconfronteerd met rechtsonzekerheid over interne meerwaarden. Wie emigreert, wordt bovendien bestraft met een persoonlijke exitheffing en een jarenlange rapporteringsplicht. En de kans op jarenlange gerechtelijke procedures is niet uit de lucht gegrepen. In een democratie moeten compromissen gemaakt worden. Maar deze knoeiboel is waarom een politiek compromis een slechte naam heeft.

Een meerwaardebelasting kan perfect thuishoren in een modern fiscaal stelsel—maar alleen als ze kadert in een structurele fiscale hervorming, een grondige vereenvoudiging en significante verlaging van de fiscale druk.

Dat is hier niet het geval.

Wat voorligt, is een louter budgettaire ingreep, ontworpen om begrotingsputten te dichten, zonder oog voor de economische impact, rechtszekerheid of uitvoerbaarheid.

Het resultaat: een belasting die rechtvaardigheid claimt, maar in de praktijk nieuwe ongelijkheden creëert, de complexiteit vergroot en de onzekerheid verdiept. Geen hervorming, maar een miskleun, een stinkende blinde kameel.

Met deze maatregel wordt een van de laatste fiscale troeven van dit zwaar belaste land uit handen gegeven door de regering-De Wever. Het is een botte ingreep die de welvaart ondergraaft, in het bijzonder van de Vlamingen die nu eenmaal meer sparen, beleggen en ondernemen. Deze belasting is economisch schadelijk, juridisch wankel en anti-Vlaams – en ze wordt ingevoerd door een rechts-liberale, Vlaams-nationalistische partij.

Het kan verkeren.

Daarom kunnen wij dit ontwerp, in zijn huidige vorm, niet goedkeuren.