Vermogen is geen inkomen - waarom een vermogensbelasting meer kost dan ze opbrengt
Vermogen is geen inkomen - waarom een vermogensbelasting meer kost dan ze opbrengt
De hoorzitting in de Kamercommissie Financiën heeft het debat over een vermogensbelasting verrijkt, maar de fundamentele bezwaren niet weggenomen. Vermogen is geen inkomen, een waardering is geen cash en onderpand is geen betaling. Een vermogensbelasting belast wat al belast werd, treft een laag rendement het zwaarst en lokt gedragsreacties uit die de opbrengst uithollen. De opbrengst is onzeker, de nadelen zijn dat niet en wegen zwaarder dan de beloofde miljarden.
Op 22 september 2026 hield de Kamercommissie Financiën een hoorzitting over een jaarlijkse belasting op vermogen. Of een vermogensbelasting zin maakt, hangt onder meer af van de belastingen die al op de vermogensopbouw rusten, het werkelijke rendement, de liquiditeit, de waardering, de gedragsreacties en de nettobudgettaire opbrengst.
Een nuttig vertrekpunt is het onderscheid tussen vermogen en vermogensinkomsten (zoals rente, dividenden, gerealiseerde meerwaarden of huuropbrengsten). Een belasting op vermogen en een belasting op vermogensinkomsten kunnen hetzelfde budgettaire doel nastreven, maar ze hebben niet dezelfde economische gevolgen.
1. Opbouw van vermogen en dubbele belasting
Een recurrente vermogensbelasting kijkt in de eerste plaats naar wat iemand op een bepaalde waarderingsdatum bezit. Ze kijkt veel minder naar de manier waarop dat vermogen tot stand kwam, terwijl dat economisch wel degelijk relevant is. Vermogen kan zijn opgebouwd uit reeds belast netto-arbeidsinkomen, uit ondernemingswinsten waarop vennootschapsbelasting is betaald, uit dividenden waarop roerende voorheffing rustte, of uit een erfenis of schenking waarop erf- of schenkbelasting werd geheven. Vermogen kan echter ook bestaan uit niet-gerealiseerde meerwaarden die (nog) niet als inkomen zijn belast.
Een nettovermogensbelasting kan leiden tot dubbele of zelfs meervoudige belasting van activa die zijn opgebouwd uit reeds belast arbeids- of kapitaalinkomen, van geërfde activa en van spaargeld dat later opnieuw wordt gebruikt voor belaste consumptie.[1] Dat staat op gespannen voet met de gedachte dat eenzelfde grondslag niet tweemaal mag worden belast (‘non bis in idem’), ook al is dat in het fiscaal recht geen absoluut verbod. Een nieuwe heffing moet dus expliciet worden afgestemd op bestaande heffingen zoals de onroerende voorheffing, de effectentaks, registratie-, schenk- en erfbelasting en belastingen op roerende en onroerende inkomsten.[2]
De economische kernvraag luidt dan ook: welke belastingen zijn betaald bij de opbouw, het rendement en de overdracht van het vermogen, en welke waardestijgingen of opbrengsten zijn nog nooit belast? Een goed belastingontwerp moet die verschillende gevallen uit elkaar houden.
Daarnaast rijst een neutraliteitsvraag. Als vermogen dat al bij de opbouw werd belast, nadien nog eens wordt belast, dan was het beter geweest om het meteen te consumeren. Wanneer twee personen hetzelfde netto-inkomen ontvangen en de ene consumeert terwijl de andere spaart of investeert, verhoogt een jaarlijkse vermogensbelasting de relatieve kost van uitgestelde consumptie: sparen wordt afgestraft ten opzichte van consumeren, met gevolgen voor de kapitaalallocatie.[3]
2. Regressiviteit van vermogensbelasting ten opzichte van het rendement
Een belasting op werkelijke kapitaalinkomsten volgt het gerealiseerde rendement, terwijl een vermogensbelasting een vermogen met een laag rendement relatief zwaarder treft dan een even groot vermogen met een hoog rendement. De heffing blijft bovendien verschuldigd wanneer het vermogen weinig opbrengt of zelfs in waarde daalt.[4]
De rekenkunde is eenvoudig. Stel dat het vermogen V bedraagt, het werkelijke rendement r en het tarief van de vermogensbelasting τ. Dan bedraagt de belasting τV. Uitgedrukt als percentage van het werkelijk behaalde rendement rV is de fiscale druk τ/r. Bij een jaarlijkse vermogensbelasting van 1% op een vermogen van 1 miljoen euro ontstaat dan het volgende beeld:
Een proportionele vermogensbelasting werkt in de praktijk dus als een “regressieve” vermogensinkomstenbelasting. Ze is niet regressief ten opzichte van de totale rijkdom, maar wel ten opzichte van het rendement: hoe hoger het rendement, hoe kleiner het deel ervan dat de vaste vermogensheffing opslorpt.
Daarom wordt een belasting op werkelijke kapitaalinkomsten vaak als neutraler beschouwd. Bij een correcte verrekening van mogelijke verliezen deelt de overheid bovendien mee in zowel positieve als negatieve uitkomsten. De OESO wijst erop dat recurrente nettovermogensbelastingen, zeker bovenop bestaande kapitaalinkomstenbelastingen, tot zeer hoge marginale effectieve belastingtarieven kunnen leiden, wat zowel de efficiëntie als de billijkheid ondermijnt.[5]
3. Equivalentie: vermogensbelasting als voorafbetaling
In theorie kan een vermogensinkomstenbelasting gelijkwaardig zijn aan een vermogensbelasting. Bij een vermogen van 100 miljoen euro en een jaarlijks rendement van 4% brengt een belasting van 50% op de winst van 4 miljoen euro 2 miljoen euro op; een vermogensbelasting van 2% op 100 miljoen euro eveneens. Maar die ‘equivalentie’ geldt alleen onder specifieke veronderstellingen.[6] Als het rendement 10% bedraagt, is een vermogensbelasting van 2% gelijk aan 20% van het rendement. Bij 2% rendement slorpt ze het volledige rendement op. Bij 0% rendement blijft de belasting verschuldigd en bij verlies komt ze bovenop dat verlies. Economisch is een proportionele belasting op het vermogen daarom niet hetzelfde als een proportionele belasting op het gerealiseerde vermogensinkomen.
Het begrip ‘voorafbetaling’ is dus misleidend. Administratief kan een jaarlijkse vermogensheffing als voorheffing op een latere vermogensinkomstenbelasting worden ontworpen, maar dan moet de reeds betaalde heffing bij realisatie worden verrekend. Zonder zo’n verrekening gaat het niet om een voorafbetaling maar om twee afzonderlijke belastinggrondslagen.[7] Maar dan nog blijft het een regressieve belasting.
4. Liquiditeit: vermogen is niet hetzelfde als cash
Een aanzienlijk vermogen betekent niet automatisch dat de eigenaar over liquide middelen beschikt om de jaarlijkse vermogensbelasting te betalen. Een ondernemer kan bijvoorbeeld een groot deel van zijn netto-vermogen hebben vastzitten in de aandelen van een niet-beursgenoteerd familiebedrijf. Een woning kan eveneens een hoge marktwaarde hebben zonder een geldstroom voort te brengen. Een vermogensbelasting kan de eigenaar dan dwingen om (een deel van) zijn bedrijf of woning te verkopen om de belasting te kunnen betalen.
Dat probleem werd tijdens de hoorzitting niet ontkend. Het Federaal Planbureau beveelt daarom een hoge drempel aan, precies om personen met liquiditeitsbeperkingen te ontzien. Een andere mogelijke remedie voor waarderings- en liquiditeitsproblemen, die vooral jonge groeibedrijven treffen, is een rentedragend betalingsuitstel.[8] Betalingsuitstel lost het probleem echter niet op: het verschuift enkel de betalingsdatum en creëert een schuld aan de overheid.
Hetzelfde geldt voor de economisch onhoudbare suggestie van een socialistisch parlementslid dat een vermogende belastingplichtige de belasting kan betalen door te lenen met de aandelen als onderpand.[9] Er is echter een groot verschil tussen lenen om een nieuw actief te verwerven en lenen om een belasting te betalen. In het eerste geval staat tegenover de schuld een actief dat bij een crisis opnieuw kan worden verkocht om de lening af te lossen. In het tweede geval is het geleende geld weg. Daalt de waarde van de aandelen die als onderpand dienen, dan kan de bank bijkomende zekerheden of een versnelde aflossing eisen, en moet de eigenaar uiteindelijk toch verkopen, op het slechtst mogelijke moment. Bovendien stapelt die schuld zich jaar na jaar op, want de belasting is jaarlijks verschuldigd. Het liquiditeitsprobleem wordt dan een krediet- en timingprobleem.
Bovendien staat de beleidsmaker voor een klassiek dilemma. Bedrijfsvermogen vrijstellen lost de liquiditeits- en waarderingsproblemen op, maar creëert een prikkel om vermogen naar die vrijgestelde plekken te verschuiven. Bedrijfsvermogen wel belasten maakt de grondslag breder, maar brengt juist de moeilijkst waardeerbare en minst liquide activa in de belasting. Het Planbureau verwijst naar empirisch bewijs dat preferentiële behandeling van bepaalde activa portefeuilleverschuivingen uitlokt.[10]
5. Gedragsreacties: migratie, ontwijking, sparen en ondernemerschap
Gedragseffecten vormen geen randverschijnsel: ze zijn mee bepalend voor de opbrengst. De gedragsrespons hangt sterk af van het ontwerp van de belasting. Een vermogensbelasting moet daarom “slim” worden ontworpen, met een brede grondslag, rapportering door derden, een hoge vrijstelling en maatregelen tegen emigratie en kunstmatige verschuivingen. Maar dan nog: een tarief van 1% kan de belastinggrondslag met ongeveer 7 tot 17% doen krimpen.[11]
Die daling van de belastbare grondslag heeft verschillende oorzaken: echte migratie, onderrapportering, fiscale planning, verschuiving naar vrijgestelde activa en veranderingen in sparen of investeren. Een daling van het belastbare vermogen betekent dus niet automatisch dat de investeringen in dezelfde mate dalen.[12]
Uit recent empirisch onderzoek op basis van administratieve gegevens uit Scandinavië blijkt dat een verhoging van het hoogste vermogensbelastingtarief met 1 procentpunt het aantal vermogende belastingplichtigen met ongeveer 2% vermindert. Vermogenden zijn relatief vaak bedrijfseigenaars, en ondernemingen van vertrekkende eigenaars ondervinden negatieve effecten. De geraamde macro-economische gevolgen zijn eerder beperkt: -0,02% werkgelegenheid, -0,07% investeringen en -0,10% toegevoegde waarde per 1 procentpunt hogere vermogensbelasting.[13]
Het onderzoek ontkracht dus de stelling dat migratie verwaarloosbaar of louter theoretisch is, al blijven de macro-effecten in de Scandinavische context eerder beperkt. Extrapolatie naar België vereist uiteraard de nodige omzichtigheid: instituties, belastingontwerp en tarieven verschillen, en de voorstellen van de linkse partijen in België gaan uit van hogere marginale tarieven dan de verhoging met één procentpunt die de studie onderzoekt.
6. Waardering van een onderneming
De waardering van beursgenoteerde activa is relatief eenvoudig: er is een marktprijs op een referentiedatum of een gemiddelde over een periode. Bij niet-beursgenoteerde ondernemingen bestaat die dagelijkse marktprijs niet. De waarde van een niet-beursgenoteerd bedrijf kan op verschillende manieren worden berekend: op basis van de boekwaarde, de verwachte winst of kasstromen, of de prijs van vergelijkbare bedrijven. Die methoden geven niet noodzakelijk hetzelfde resultaat. Omdat er niet één vanzelfsprekende marktwaarde bestaat, vereist het fiscale legaliteitsbeginsel dat de waarderingsregels voldoende precies in de wet zelf worden vastgelegd.[14]
Het Planbureau wees al in 2023 op deze moeilijkheid en stelde tijdens de hoorzitting vast dat de concrete waarderingsregels in de wetsvoorstellen op belangrijke punten beperkt of onduidelijk blijven, onder meer voor participaties in private vennootschappen.[15]
De OESO komt tot een vergelijkbare praktische conclusie: marktwaarde is het theoretische uitgangspunt, maar de waardering van niet-genoteerde aandelen en ondernemingen is moeilijk en kan tot geschillen leiden. Eenvoudige en vergelijkbare regels over activaklassen heen zijn belangrijk om arbitrage te beperken.[16]
7. Structurele overheidsopbrengsten
De Gentse econoom Arthur Apostel raamde de opbrengsten van de verschillende wetsvoorstellen op 2,2 tot 11,7 miljard euro.[17] Die grote bandbreedte is te wijten aan de verschillen tussen de wetsvoorstellen, de sterk schommelende waardering van beursgenoteerde bedrijven, de gebruikte vermogensgegevens, de aannames over gezinnen en de waardering van vermogens, en de veronderstelde gedragsreacties van belastingplichtigen.
Voor de openbare financiën is vooral het onderscheid belangrijk tussen:
- statische opbrengst: tarief × belastbare grondslag zonder gedragsverandering
- dynamische opbrengst: opbrengst na migratie, ontwijking en economische optimalisatie
- nettobudgettaire opbrengst: na inningskosten en veranderingen in andere belastingen
- economische impact: effecten op investeringen, ondernemingsactiviteit, werkgelegenheid, productiviteit en welvaart
De ramingen gaan dus over de bruto-opbrengsten en zijn niet automatisch gelijk aan de structurele netto-opbrengst voor de begroting. Ook hier is nuance nodig: een belasting op gerealiseerde meerwaarden kan zelf zeer conjunctuurgevoelig zijn, omdat realisaties sterk samenhangen met beurs- en vastgoedcycli. De juiste begrotingsvraag is dan ook niet welke belasting altijd stabiel is, maar welk deel van de geraamde opbrengst prudent als structureel kan worden beschouwd en welke veiligheidsmarge nodig is.
8. Correctie op ongelijkheid
De discussie over vermogensbelasting vertrekt vaak van de vaststelling dat vermogens zeer ongelijk verdeeld zijn. De rijkste 1% van de Belgen zou ongeveer 22% van het Belgische vermogen bezitten.[18]
Maar niet alleen de omvang van vermogen is relevant, ook de aard en de functie ervan doen ertoe. Vermogen kan passief renteniersvermogen zijn, maar ook ondernemingskapitaal, menselijk kapitaal of het resultaat van risicovolle investeringen. Een analyse van ongelijkheid die alle kapitaal als homogeen behandelt, mist dus een deel van de economische werkelijkheid.[19]
Aan de andere kant kunnen zeer grote vermogens economische en politieke machtsconcentratie versterken en de progressiviteit van het belastingstelsel ondergraven. Zeer vermogende personen kunnen dus macht concentreren, maar ook grote, riskante en maatschappelijk waardevolle projecten financieren.[20]
Conclusie
De hoorzitting van 22 september 2026 heeft het debat over een vermogensbelasting inhoudelijk rijker gemaakt. Het belangrijkste onderscheid blijft analytisch eenvoudig maar fiscaal verstrekkend: vermogen is geen inkomen, een waardering is geen cashflow en onderpand is geen betaling. Wie een vermogensbelasting beoordeelt, moet naast de bruto-opbrengst ook onderzoeken welke belastingen al in de opbouwketen zijn betaald, hoe de belasting zich verhoudt tot het werkelijke rendement, hoe illiquide activa worden behandeld, welke gedragsreacties volgen en hoe de nieuwe heffing past in een coherent stelsel van belasting op arbeid, kapitaalinkomen, meerwaarden en overdrachten.
Daarmee verschuift de kernvraag van “moet vermogen bijdragen?” naar een preciezere vraag: op welk moment, op welke grondslag en met welke economische neveneffecten wordt vermogen of – beter – het inkomen daaruit belast? Het antwoord op die vraag weegt uiteindelijk zwaarder dan de naam die men de belasting geeft.
[1] Thérèse Bastin, Benoît Bayenet, Ilan Tojerow en Magali Verdonck, “Studie over de belasting op grote vermogens”, DULBEA/ULB, in opdracht van het Federaal Planbureau, juli 2023. Zie ook de presentatie van Thérèse Bastin en Guy Van Camp aan de Kamercommissie Financiën van 22 september 2026, p. 13. https://www.plan.be/sites/default/files/documents/stud_202301_nl_1.pdf
[2] Edoardo Traversa, “Enjeux juridiques d’une réforme de la fiscalité du patrimoine”, Kamercommissie Financiën, 22 september 2026, pp. 5-6.
[3] Ivan Van de Cloot en Karel Volckaert, “Tax Shift. Waarom ons land een belastinghervorming nodig heeft”, Lannoo Campus, 2015, hoofdstuk 11 (Beleidsvisie). De auteurs bespreken daar het duale belastingstelsel en de nood om verstoringen in de intertemporele keuze tussen consumptie en sparen te beperken.
[4] Kevin Spiritus, “Hoe grote vermogens belasten”, presentatie aan de Kamercommissie Financiën, 22 september 2026, pp. 3-4.
[5] OECD, “The Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD”, OECD Tax Policy Studies No. 26, 2018, in het bijzonder hoofdstukken 3-5. https://doi.org/10.1787/9789264290303-en
[6] Karl van den Broeck, “Achter meerwaardebelasting gaat gigantische besparing schuil”, Apache, 24 augustus 2024, interview met Paul De Grauwe. https://apache.be/2024/08/24/achter-meerwaardebelasting-gaat-gigantische-besparing-schuil
[7] Kevin Spiritus, “Hoe grote vermogens belasten”, Kamercommissie Financiën, 22 september 2026, p. 9.
[8] Thérèse Bastin en Guy Van Camp, presentatie aan de Kamercommissie Financiën, 22 september 2026, p. 2; Kevin Spiritus, “Hoe grote vermogens belasten”, p. 9.
[9] Kamer van Volksvertegenwoordigers, videoverslag van de Commissie Financiën, 22 september 2026, tussenkomst Oskar Seuntjens ca. 2:23:36-2:24:57. https://media.dekamer.be/meeting/56-020205-U2014. Het fragment werd wijd gedeeld op sociale media.
[10] Thérèse Bastin en Guy Van Camp, presentatie, 22 september 2026, pp. 2-3 en 12; verwijzingen daar naar Durán-Cabré et al. (2019), Alvaredo & Saez (2009) en andere literatuur.
[11] Arthur Apostel, “Hoorzitting Belgische vermogensbelasting”, Universiteit Gent, presentatie aan de Kamercommissie Financiën, 22 september 2026, pp. 12-15; verwijzing naar Advani & Tarrant (2021) en Federaal Planbureau (2024).
[12] Kevin Spiritus, “Hoe grote vermogens belasten”, 22 september 2026, p. 10.
[13] Katrine Jakobsen, Henrik Kleven, Jonas Kolsrud, Camille Landais en Mathilde Muñoz, “Taxing Top Wealth: Migration Responses and their Aggregate Economic Implications”, American Economic Review, forthcoming, DOI 10.1257/aer.20241596. https://www.aeaweb.org/articles?id=10.1257/aer.20241596
[14] Edoardo Traversa, “Enjeux juridiques d’une réforme de la fiscalité du patrimoine”, 22 september 2026, p. 4.
[15] Federaal Planbureau/DULBEA, Studie over de belasting op grote vermogens, 2023; Thérèse Bastin en Guy Van Camp, presentatie aan de Kamercommissie Financiën, 22 september 2026, p. 7.
[16] OECD, “The Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD”, 2018, hoofdstuk 4 en beleidsconclusies; zie o.a. de bespreking van niet-beursgenoteerde aandelen en ondernemingsactiva.
[17] Arthur Apostel, “Hoorzitting Belgische vermogensbelasting”, 22 september 2026, p. 15.
[18] Arthur Apostel, “Hoorzitting Belgische vermogensbelasting”, 22 september 2026, p. 2.
[19] Marc De Vos, “Ongelijk maar fair. Waarom onze samenleving ongelijker is dan we vrezen, maar rechtvaardiger dan we hopen”, Lannoo Campus, 2015, met name de hoofdstukken “Goede en slechte ongelijkheid” en “De terugkeer van kapitaal”.
[20] Kevin Spiritus, “Hoe grote vermogens belasten”, 22 september 2026, p. 8.